Home>Groep 3>Coöperatieve werkvormen

Coöperatieve werkvormen

zaterdag 11 augustus 2018

Bij coöperatief leren is er sprake van directe interactie tussen leerlingen in een groepje; in de uitwisseling van gedachten, ideeën en opvattingen zit de leerwinst.

Leerlingen die verschillend zijn in aanleg- en prestatiekant, werken bewust samen in tweetallen of kleine groepjes. Ze profiteren van elkaar. Door de uitleg en aanmoedigen van andere groepsgenoten begrijpen alle leerlingen de leerstof ook beter. De in aanleg meer toegeruste leerlingen bereiken de leerstof op een hoge niveau doordat ze het uitleggen aan de medeleerlingen. Ook neemt de effectieve leertijd toe wanneer onze leerkrachten gebruik maken van het vermogen van leerlingen om elkaar te helpen. Bij coöperatief leren zijn er twee doelen: een cognitief en een sociaal doel. Het cognitieve doel is het leren van de inhouden. Het sociale doel is het leren van samenwerken.

Op onze school werken we met coöperatief leren. Dit houdt in dat kinderen met elkaar leren samenwerken om zo tot een hoger leerrendement te komen. Hiervoor gebruiken we didactische structuren. Didactische structuren zijn werkvormen waarbij kinderen samen moeten werken en van elkaar leren.cooperatieve werkvormen

Hoe vaak gebruiken we een Didactische Structuur?

We werken gedurende het schooljaar gemiddeld 3 maal per week, inclusief een Klas- of Teambouwer, met een Didactische Structuur van Coöperatief Leren. Alle structuren van de basis worden daarbij ingezet die voor de desbetreffende groep geschikt zijn en komen minimaal een keer per maand aan bod.

De Didactische Structuren gebruiken we in ieder geval bij taal, spelling, lezen, rekenen en de zaakvakken. Als de handleiding van de methode, die we gebruiken suggesties geeft voor coöperatief leren, dan gebruiken we die.Enkele herkenbare zaken zijn:

  • Het gebruik van posters in de groep, die vooral bij het intrainen en onderhouden van didactische structuren ingezet worden als visuele ondersteuning voor leerkracht en kinderen.
  • Alle kinderen zitten vanaf groep 3 in een groepje van liefst 4 kinderen (als het niet anders uitkomt, soms 3 of 5 kinderen).

Bij het samenstellen van een groep houden we rekening met

1. Cognitief functioneren

2. Sociaal- emotionele verschillen.

3. Jongens meisjes verdeling.

  • We maken gebruik van de termen ‘schoudermaatje’ en ‘oogmaatje’
  • Tijdens het coöperatief leren wordt er gewerkt met drie stemvolumes die concreet aangeven hoe hard een leerling mag praten:
  1. Groepsstem
  2. Teamstem
  3. Liniaalstem

Bij coöperatief leren is er sprake van directe interactie tussen de leerlingen in een groepje; in de uitwisseling van gedachten, ideeën en opvattingen zit de leerwinst.

Er wordt bewust samengewerkt door leerlingen verschillend in aanleg- en prestatiekant in tweetallen of kleine groepjes (heterogeen). Ze profiteren van elkaar. Door de uitleg en aanmoedigingen van andere groepsgenoten begrijpen alle leerlingen de leerstof ook beter. De in aanleg meer toegeruste leerlingen bereiken de leerstof op een hoger niveau doordat ze het uitleggen aan de medeleerlingen. Ook neemt de effectieve leertijd toe wanneer onze leerkrachten coöperatief-Kagangebruik maken van het vermogen van leerlingen om elkaar te helpen. Bij coöperatief leren zijn er twee doelen: een cognitief en een sociaal doel. Het cognitieve doel is het leren van de inhouden. Het sociale doel is het leren samenwerken. Het enthousiasme en de medewerking van onze leerkrachten en onze leerlingen speelt een grote rol bij coöperatief werken.

Spencer Kagan heeft het gehele concept opgezet.
Hij spreekt over de zes sleutels van het coöperatief leren:

  1. Teams

    In  twee- of viertallen krijgen leerlingen de verantwoordelijkheid voor de opdrachten en voor elkaar. Ook worden de leerlingen op hun individuele werk aangesproken. De samenstelling van de groepen zijn heterogeen. De leerlingen durven meer door het werken in een team, hierdoor krijgen ze een vertrouwd gevoel.
    De groepen moeten in een schooljaar meerdere malen wisselen van samenstelling. Als de leerlingen op deze manier met elkaar te maken krijgen, komt er een grotere saamhorigheid in de klas. Daarbij komt ook het feit dat de leerlingen het niet altijd goed kunnen vinden met andere kinderen en zijn ze op deze manier niet voor lange tijd tot elkaar veroordeeld.

  2. Klassenmanagement

    Door klassenregels en normen te hanteren krijgen de leerlingen een verantwoordelijkheid voor de hele groep. Het is handig wanneer de leerkracht een stiltesignaal gebruikt, waardoor er efficiënt met de tijd kan worden omgegaan.

  3. De wil tot coöpereren

    Om de wil van het samenwerken van leerlingen groter te maken is een goed pedagogisch klimaat nodig. Leerlingen moeten elkaar op een positieve manier benaderen. De leerkracht is het voorbeeld voor de klas. Er kan gewerkt worden met een individueel of een groepsbeloningssysteem.

  4. Mogelijkheid tot samenwerking

    De vier belangrijkste rollen om leerlingen te leren samenwerken zijn: modellen, rollen verdelen, structureren en reflecteren. Het is van belang om het samenwerken aan te leren. Tijdens het samenwerken leren ze niet alleen nieuwe kennis, maar ook op sociaal gebied zijn ze veel bezig. Ze lossen problemen op, bedenken plannen, helpen elkaar en zorgen ervoor dat ze bij de opdracht blijven.

  5. Basisprincipes

    Coöperatief leren moet voldoen aan de vier basisprincipes van het GIPS-model:
    Gelijkwaardige samenwerking: Heeft iedereen een even groot aandeel? Individuele verantwoordelijkheid: Heb je een individuele bijdrage geleverd? Positieve gezamenlijke verantwoordelijkheid: Is mijn winst ook jou winst? En is hulp gewenst? Simultaan interactie: Hoeveel procent van de leerlingen is gedurende de les actief betrokken bij de lesstof?

  6. Structuren

    Als leerlingen leren hoe ze moeten samenwerken moet wel aangegeven worden binnen welke kaders dit moet gebeuren. De leerkracht geeft daarbij precies aan welke stappen de leerlingen moeten uitvoeren.

 

Kenmerken van een coöperatieve sfeer:

  •  Elk groepslid is verantwoordelijk voor het resultaat.
  • We zetten ons samen in voor het succes van onze groep.
  • Wij helpen elkaar.
  • Wij leren van onze vorige resultaten zodat we hier weer samen aan kunnen werken.

Voordelen:

Leerlingen geven hun eigen mening over wat ze al van het onderwerp weten, hierdoor zijn ze actief betrokken bij de activiteit. Ze ontwikkelen een betere cognitieve ontwikkeling en sociale vaardigheden. Ze krijgen meer zelfvertrouwen en motivatie tijdens een coöperatieve opdracht.

Wat is er nodig om het coöperatief leren in te zetten?

  • Een goed pedagogisch klimaat:
    Leerlingen moeten elkaar respecteren. Ze kijken elkaar aan als ze tegen elkaar praten en laten elkaar uitspreken. Ze geven elkaar op een positieve manier feedback.
  • Hanteren van regels en afspraken:
    Maak gezamenlijk afspraken met de leerlingen waardoor ze er ook zelf achterstaan, zoals; help elkaar en houd je aandacht bij het onderwerp.

Heterogene groepen:

Dit is een basisprincipe van het coöperatief leren. Heterogene groepen vergroten de kans op het ontstaan van leerhulp bieden, positieve relaties en een efficiënt klassenmanagement. Heterogene, door de leerkracht geformeerde groepen, hebben tijdens het coöperatief leren de voorkeur omdat ze;

  1. de grootste mogelijkheid bieden tot samenwerking.
  2. de relatie tussen verschillende leerlingen (jongen/meisje, cultuur, hoogbegaafd etc.).
  3. het klassenmanagement vergemakkelijken.

Werkvormen bij coöperatieve werkvormen

  1. Denken delen uitwisselen (2-4 leerlingen)

    Dankzij deze werkvorm wordt de voorkennis van de leerlingen geactiveerd. De leerkracht stelt een open vraag die een creatieve oplossing vraagt. De leerlingen denken zelf na over hun antwoord (schrijven dit eventueel kort op). Ze bespreken dit met een maatje en komen samen tot een antwoord. Hierbij ervaren ze dat de antwoorden van henzelf en hun maatje elkaar aanvullen en dat je samen meer weet dan alleen. De leerkracht kan de antwoorden ook uit laten wisselen door een viertal. Klassikale uitwisseling: De leerkracht wijst enkele leerlingen aan om het antwoord aan de groep te vertellen dat ze samen met hun maatje hebben geformuleerd.

  2. De placemat (groepen van vier)

    Ieder groepje krijgt een vel papier waarop in het midden een rechthoek staat; vanuit de hoeken van de rechthoek zijn lijnen getrokken naar de hoeken van het papier, waardoor er rond de rechthoek vier vakken ontstaan. Elke leerling schrijft in het eigen vak ideeën, antwoorden, oplossingen bij een gegeven vraagstelling. Na de individuele bedenktijd overleggen de leerlingen wat er overeenkomt in hun antwoorden en dat schrijven zij in de rechthoek. Deze werkvorm is geschikt voor open vragen, kennis- en inzichtvragen (bijvoorbeeld; noem vier belangrijke kenmerken van de hoofdpersoon?, met welke problemen kregen ontdekkingsreizigers te maken?). Bij jonge leerlingen is de lege placemat een hulpmiddel om samen iets te maken; elke leerling werkt eerst voor zichzelf en legt wat het heeft (plaatjes, tekeningetjes) in het eigen vak, vervolgens wordt er een gezamenlijk product van gemaakt (bijvoorbeeld; een collage).

  3. Graffiti (groepen van vier)

    Iedere groep krijgt een groot vel papier en viltstiften, ieder groepslid een eigen kleur. De leerkracht geeft een vraag, thema, uitspraak, onderwerp waarop de leerlingen moeten reageren. Ieder groepslid schrijft in korte tijd zijn/haar ‘graffiti’ (woorden, zinnen, tekeningen) over het onderwerp. Het papier vervolgens doorgeven aan een volgende groep en die op dezelfde manier de ‘graffiti’ laten aanvullen, net zo lang tot iedere groep het eigen papier weer terug heeft. De groep vat alle reacties samen en trekt conclusies. De bevindingen worden gepresenteerd aan de groep.

  4. Genummerde hoofden/De koppen bij elkaar (3-4 leerlingen)

    De leerkracht maakt groepjes van 3-4 leerlingen. Elke leerling in het groepje krijgt een nummer (of een kleur, naam van een dier). De leerkracht geeft een vraag of opdracht (bijvoorbeeld: vragen bij een gelezen tekst, op welke manieren kun je een bepaalde som uitrekenen, hoe kunnen we elkaar helpen). De leerkracht legt uit dat straks per groepje een leerling het antwoord mag geven. Je weet van te voren niet wie. In het groepje moet elke leerling het antwoord van de groep kunnen geven. De leerlingen overleggen met elkaar in het groepje wat hun antwoord is.Klassikale uitwisseling: De leerkracht noemt een nummer; elke leerling met dat nummer geeft het antwoord van het groepje.

  5. Oefengroepen (4 leerlingen)

    In een groepje van vier gaan leerlingen bepaalde leerstof oefenen. De groepsleider bedenkt op welke manier het oefenen plaats vindt; vooraf bespreekt de leerkracht deze oefenvormen in de hele groep. Het inoefenen gebeurt onder leiding van de groepsleider; in het groepje bespreken de leerlingen hoe het oefenen verloopt. De stof wordt daarna individueel getoetst.

  6. Legpuzzel (4 leerlingen)

    In een groep van vier gaan de leerlingen ieder een eigen deel van de leerstof bestuderen; de leerkracht heeft daartoe vooraf de stof verdeeld in vier delen of deelonderwerpen. De leerkracht vormt deskundigengroepen door leerlingen die dezelfde stof gaan bestuderen bij elkaar de zetten; in deze groep lezen de leerlingen een tekst, onderzoeken zij materiaal of gegevens, bespreken dit, maken zij aantekeningen en een samenvatting. Daarna gaan de leerlingen terug naar de eigen groep en vertellen om de beurt wat zij geleerd hebben in de deskundigengroep. Deze werkvorm is geschikt voor oriëntatie op een onderwerp, informatie verzamelen en verwerken.

  7. Om de beurt (2 leerlingen)

    De leerkracht stelt een open vraag, bijvoorbeeld; wat neem je mee als je gaat zwemmen, wat kan ik kopen in de supermarkt, noem dingen die rond zijn, wat zie je in de huiskamer, verschillen noemen tussen huisdieren en wilde dieren, welke woorden rijmen op aan, noem woorden die beginnen met s. De leerlingen geven in tweetallen om de beurt een antwoord. Samen bedenken ze zoveel mogelijk antwoorden (schrijven dit eventueel kort op, elk met een andere kleur).
    Klassikale uitwisseling: De leerkracht wijst enkele leerlingen aan om het antwoord te vertellen. Lukt het om de beurt antwoord geven?

  8. Team interview (3-4 leerlingen)

    Een leerling staat centraal en wordt geïnterviewd door de groepsgenoten. De groepsleden stellen om de beurt een vraag. Ze luisteren naar het antwoord en sluiten hun vraag eventueel hierbij aan. Eventueel rollen wisselen. Klassikaal nabespreken door aan één interviewer in elk groepje te vragen wat hij of zij heeft gehoord.

  9. Duo’s (2 leerlingen)

    De leerkracht vormt tweetallen. Hij/zij legt uit dat de leerlingen om de beurt werken aan een gezamenlijke taak, bijvoorbeeld; een opdracht uit de methode of project, ontwikkelingsmateriaal, een tekening. Per tweetal werken de leerlingen met een werkblad of papier of materiaal. Leerling A voert de taak uit en denkt daarbij hardop; leerling B kijkt en volgt A. Hij mag zijn maatje helpen. Na een aantal taken of op signaal van de leerkracht wisselen de beurten. Vervolgens worden de inhoud en het samenwerken nabesproken.

  10. Rooftocht (groepen van vier)

    Terwijl groepen van vier leerlingen aan een opdracht werken, loopt één van de groepsleden door de klas om bij andere groepen te kijken en  ideeën op te doen. De ‘rover’ brengt ideeën van andere groepen in om zo het eigen groepsproduct te versterken.

  11. Rotonde (3-4 leerlingen)

    De leerkracht stelt een open vraag of geeft een opdracht, waarbij de leerlingen informatie, ervaringen of meningen kunnen uitwisselen. De leerlingen denken eerst voor zichzelf na over het antwoord. De leerlingen in de groep geven, met de klok mee, om de beurt een antwoord. De leerkracht wijst een aantal leerlingen aan die het resultaat van hun groep mogen vertellen of laten zien aan de rest van de klas. Deze werkvorm is geschikt voor open vragen (bijvoorbeeld; voorkennis actualiseren, inventariseren, kenmerken noemen, overeenkomsten en verschillen).
    Variatie: Als je aan de beurt bent geef je eerst een samenvatting/herhaling van wat de vorige leerling heeft gezegd; dit bevordert het goed luisteren naar elkaar.

  12. Twee Vergelijk

    In tweetallen geven de leerlingen meerdere reacties op een vraag, vergelijken met een ander tweetal en bedenken samen daarmee nog meer antwoorden. De leerkracht geeft de opdracht of stelt een vraag waarop meerdere korte antwoorden mogelijk zijn. De leerlingen bedenken en noteren ideeën of antwoorden in tweetallen. De leerkracht geeft een stiltesignaal en laat tweetallen de antwoorden vergelijken op een werkblad.  Om de beurt noemen de leerlingen een antwoord, ze noteren dit in het juiste vakje van het werkblad. De leerlingen gaan na de vergelijking met z’n vieren nóg meer ideeën of antwoorden bedenken die ze in het daarvoor bestemde vakje noteren.

  13. Tafelrondje per tweetal1002625_Lns_G56_YA

    In tweetallen werken de leerlingen om de beurt, schriftelijk, aan het uitvoeren van opdrachten.
    – ieder kind heeft een blad papier en een pen;
    – de leerkracht geeft een opdracht of stelt een vraag waarop meerdere niet te lange antwoorden mogelijk zijn;
    – de leerling die het eerst aan de beurt is schrijft één van zijn/haar antwoorden op;
    – de andere leerling krijgt nu pen en papier en schrijft antwoorden op;
    – de leerlingen blijven zo om de beurt werken aan een lijst van antwoorden of oplossingen. Deze werkvorm is ook toepasbaar in een groepje van 4 tot 6 leerlingen; het papier schuift telkens door naar een volgend kind.

  14. Tweetal Check

    In tweetallen lossen de leerlingen om de beurt een vraagstuk op. Na ieder twee vraagstukken controleren ze de antwoorden bij een ander koppel.

    – Leerlingen werken in duo’s, eventueel worden viertallen opgesplitst;
    – Per tweetal werkt één leerling aan het vraagstuk, terwijl de ander coacht en helpt;
    – De coach controleert het werk van de partner; coach en partner proberen het samen eens te worden over het antwoord; zo nodig vragen zij hulp van een ander tweetal; lukt dat niet, stelt het viertal een vraag aan de leerkracht;
    – De coach geeft complimenten;
    – De partners wisselen van rol en herhalen de voorgaande stappen;
    – De Tweetal Check: in het groepje van vier vergelijken beide tweetallen de antwoorden.

  15. Binnen/Buitenkring

    De leerlingen staan in twee concentrische cirkels. Doordat de leerlingen in een van de kringen roteren,ontstaan steeds nieuwe tweetallen. Leerlingen vormen twee kringen: zij staan in een kring waarbij twee leerlingen die naast elkaar staan tegenover elkaar gaan staan; één blijft in de cirkel en de ander stapt naar voren en draait zich om. Zo ontstaan een binnen– en een buitenkring. In elk tweetal praat één leerling. De leerlingen uit de binnenkring vertellen iets naar aanleiding van een vraag/opdracht die mondeling of schriftelijk gegeven wordt. Ze krijgen daarvoor even Denktijd. De leerlingen wisselen van rol. De leerlingen uit de buitenkring doen hetzelfde. De leerlingen roteren. Een kring gaat een door de leerkracht aangegeven aantal plaatsen verder staan (met de klok mee). Daarna wordt er weer een vraag/opdracht gesteld en wordt dit besproken.

  16. Zoek iemand die

    Leerlingen lopen door het lokaal met het doel “zoek iemand die” een antwoord weet op een van de opdrachten op een werkblad.
    – Met het werkblad in de hand lopen de leerlingen door de klas en gaan (op een signaal) met z’n tweeën bij elkaar staan.
    – Een leerling legt de ander een vraag voor van het werkblad. De ander geeft antwoord als zij/hij dat weet. De leerling schrijft het antwoord in eigen woorden op het werkblad.
    – De ander checkt: kijkt of het opgeschreven antwoord goed is. Als het goed is zet de leerling zijn/haar naam erbij. – De leerlingen wisselen van rol. Nu stelt de andere leerling een vraag van het werkblad, waarop een antwoord en een check volgt.
    – Daarna worden de stappen herhaald.

  17. Mix en koppel

    Deze werkvorm lijkt wat op ‘Zoek iemand die’, maar het gaat hierbij niet om vragen maar om het vinden van twee kaartjes die bij elkaar horen. Elke leerling krijgt een kaartje van een paar dat bij elkaar hoort (bijvoorbeeld; foto kind + naam, sport + naam, twee precies dezelfde afbeeldingen, twee verschillende plaatjes van hetzelfde, schilder + schilderij). Als de leerlingen hun kaartje hebben gekregen lopen ze rond door het lokaal; als ze langs elkaar lopen ruilen ze van kaartje totdat de leerkracht roept “bevries”. Op het teken “bevries” staan de leerlingen stil en ruilen geen kaartjes meer. De leerlingen “koppelen”. Als de leerkracht roept “koppel”, is het tijd om de juiste partner (de klasgenoot met het bijpassende kaartje) te vinden. Als ze elkaar gevonden hebben gaat het tweetal naar de afgesproken plaats. Als alle leerlingen hun partner gevonden hebben, start je weer van voren af aan.